The journey

Above the mountains
the geese turn into
the light again

Painting their
black silhouettes
on an open sky.

Sometimes everything
has to be
inscribed across
the heavens

so you can find
the one line
already written
inside you.

Sometimes it takes
a great sky
to find that

first, bright
and indescribable
wedge of freedom
in your own heart.

Sometimes with
the bones of the black
sticks left when the fire
has gone out

someone has written
something new
in the ashes of your life.

You are not leaving.
Even as the light fades quickly now,
you are arriving.

-David Whyte-

The Ecstasy

Where, like a pillow on a bed
A pregnant bank swell’d up to rest
The violet’s reclining head,
Sat we two, one another’s best.
Our hands were firmly cemented
With a fast balm, which thence did spring;
Our eye-beams twisted, and did thread
Our eyes upon one double string;
So to’intergraft our hands, as yet
Was all the means to make us one,
And pictures in our eyes to get
Was all our propagation.
As ‘twixt two equal armies fate
Suspends uncertain victory,
Our souls (which to advance their state
Were gone out) hung ‘twixt her and me.
And whilst our souls negotiate there,
We like sepulchral statues lay;
All day, the same our postures were,
And we said nothing, all the day.
If any, so by love refin’d
That he soul’s language understood,
And by good love were grown all mind,
Within convenient distance stood,
He (though he knew not which soul spake,
Because both meant, both spake the same)
Might thence a new concoction take
And part far purer than he came.
This ecstasy doth unperplex,
We said, and tell us what we love;
We see by this it was not sex,
We see we saw not what did move;
But as all several souls contain
Mixture of things, they know not what,
Love these mix’d souls doth mix again
And makes both one, each this and that.
A single violet transplant,
The strength, the colour, and the size,
(All which before was poor and scant)
Redoubles still, and multiplies.
When love with one another so
Interinanimates two souls,
That abler soul, which thence doth flow,
Defects of loneliness controls.
We then, who are this new soul, know
Of what we are compos’d and made,
For th’ atomies of which we grow
Are souls, whom no change can invade.
But oh alas, so long, so far,
Our bodies why do we forbear?
They’are ours, though they’are not we; we are
The intelligences, they the spheres.
We owe them thanks, because they thus
Did us, to us, at first convey,
Yielded their senses’ force to us,
Nor are dross to us, but allay.
On man heaven’s influence works not so,
But that it first imprints the air;
So soul into the soul may flow,
Though it to body first repair.
As our blood labors to beget
Spirits, as like souls as it can,
Because such fingers need to knit
That subtle knot which makes us man,
So must pure lovers’ souls descend
T’ affections, and to faculties,
Which sense may reach and apprehend,
Else a great prince in prison lies.
To’our bodies turn we then, that so
Weak men on love reveal’d may look;
Love’s mysteries in souls do grow,
But yet the body is his book.
And if some lover, such as we,
Have heard this dialogue of one,
Let him still mark us, he shall see
Small change, when we’are to bodies gone.

BY JOHN DONNE

Mannenzorgen, vrouwenzorgen, mensenzorgen

“Een grote groep mannen zal nooit op seksuele verkenning kunnen gaan omdat zij als universeel onaantrekkelijk worden bevonden door vrouwen.”

Het stond er letterlijk, op een sociaal medium, geschreven door iemand die duidelijk niet zijn eigen naam gebruikt en die ik dus ook niet correct kan citeren.

Maar het zegt precies waar het om gaat. Sommige mannen vrezen blijkbaar dat ze veel te verliezen hebben omdat vrouwen iets te winnen hebben. Ze vrezen misschien dat mannelijke lust en vrouwelijke lust elkaar opheffen: wat de één wint, moet de ander dus noodzakelijkerwijze verliezen.

Ben je bang voor afwijzing? Welkom in de club. De mensenclub. Iedereen is namelijk bang voor afwijzing.

Ben je bang dat niemand je seksueel aantrekkelijk zal vinden? Welkom in de club. De mensenclub. Iedereen is namelijk bang om niet seksueel aantrekkelijk gevonden te worden.

Mannen én vrouwen. Het hoort erbij. Er is geen manier om die angst te omzeilen. Al is er natuurlijk wel één en ander geprobeerd. Maagd te blijven, bijvoorbeeld. En dat tot een soort van hogere sociale status te verheffen. Of huwelijken te arrangeren, waarbinnen seks dan een recht is. Of dwang gebruiken.

Maar dat heeft die angst niet verminderd.

Lees het eens op deze manier: “Een grote groep vrouwen zal nooit op seksuele verkenning kunnen gaan omdat zij als universeel onaantrekkelijk worden bevonden door mannen.”

De angst is namelijk bij beide seksen even groot. Alleen gaan vrouwen daar anders mee om, met die angst. Vrouwen zullen doorgaans die angst willen bezweren door zoveel mogelijk te beantwoorden aan het “perfecte plaatje” dat in hun ogen staat voor wat mannen seksueel aantrekkelijk vinden.

Hoe dan ook, seksuele lust werkt anders. Er is niet iets als “universeel aantrekkelijk/onaantrekkelijk”. Er bestaat niet zoiets als het perfecte plaatje.

We moeten deze mythe bekampen. Maar dat is lastig, want een hele industrie vaart er bijzonder wel bij.

Schoonheid is niet het synoniem van seksuele aantrekkelijkheid. Zelfs schoonheid is niet universeel, maar tijd- en plaatsgebonden. Ja, we houden van symmetrie. Maar verder houden we van man, vrouw, blond, bruin, roodharig, donker, bleek, slank, mollig, groot, klein, guitig, stoer…

Als ik nadenk over de mensen waarop ik al verliefd geworden ben, dan is er echt geen rode draad hoor, althans niet wat uiterlijkheden betreft.

Er zijn geen garanties op het vlak van seksuele aantrekking. We moeten blijven aftasten. En leren omgaan met (de angst voor) afwijzing.

Over zwart, wit en grijs

Hoe kunnen we nog genuanceerd spreken (en schrijven) over seks, verlangen en erotiek in deze verwarrende tijden? Het zijn verwarrende tijden omdat we duidelijk in een overgangsfase terecht gekomen zijn. Vrouwen en mannen zijn samen op zoek naar een manier van seksualiteitsbeleving die ruimte laat voor het genot van beiden, voor het verlangen van beiden, voor het plezier van beiden.
Dit lijkt evident, maar dat is het niet. (En dan hebben we het eigenlijk alleen nog maar over vrouwen in culturen die zich wat ontworsteld hebben aan religie en patriarchie).
Het is relatief nieuw dat we zo’n rekening gaan houden zijn met het vrouwelijk genot. We hebben nog maar net de ware (grootte van de) clitoris ontdekt. Zelfs nog geen vijf jaar geleden, toen ik seksuologie studeerde, vroeg de prof zich tijdens het vak seksuele pedagogiek luidop af of we het wel over de clitoris moesten hebben in lessen seksuele voorlichting voor tienermeisjes. Dus ja, het is allemaal erg nieuw, en nee, we zijn er nog lang niet.
Het is spannend, het is verwarrend, voor iedereen. Meisjes en vrouwen krijgen nog steeds (expliciet of impliciet) de boodschap mee dat ze de poortwachter zijn van hun maagdelijkheid. Meisjes en vrouwen voelen nog steeds aan dat te gretig seksueel verlangen tonen mannen afschrikt, en vrezen nog steeds dat ze dan bij de “gemakkelijke” vrouwen ingedeeld zullen worden. Ik heb het een man onlangs nog letterlijk horen zeggen: “Een geile vrouw, dat is tof voor een nachtje plezier, maar daar trouw ik liever niet mee, die kan ik toch niet in de hand houden.” Of: “Ik zou toch geen vrouw trouwen die meer vrijers gehad heeft dan ik.”
Braaf zijn, dat blijft toch vaak nog de boodschap voor meisjes en vrouwen. Dat je een geile vrouw kan zijn, die houdt van vrijen, die niet op haar mondje gevallen is, én die tegelijkertijd een trouwe echtgenote kan zijn, die ook bijzonder kwetsbaar is, dat lijkt in de hoofden van velen toch nog steeds kortsluiting te veroorzaken. Madonna óf hoer, maar beiden? Dat beeld krijgen nog steeds maar weinigen gerijmd.
Ook jongens en mannen krijgen trouwens nog steeds de foute impliciete boodschap mee dat zij het zijn die moeten jagen, dat zij de actieve rol op zich moeten nemen, dat zij moeten “presteren”.
Maar hoe stel je je naakt en kwetsbaar op? Hoe vraag je aan een meisje wat ze wil? Hoe kan je op een respectvolle manier de grens overschrijden en bij een vrouw binnendringen? Want zonder grensoverschrijding geen seks. Zonder grensoverschrijding gebeurt er helemaal niets. Op een bepaald moment moet je je stoute schoenen aantrekken en die verwarrende signalen interpreteren. Mag ik hem/haar nu kussen? Mag ik hem/haar nu strelen? Mag ik een stapje verder gaan? Een duidelijke grens is er niet. Er is veel maagdelijk wit. Er is ook duidelijk zwart. Maar er is ook die ontzettend verwarrende grijze zone.
Alle mannen én alle vrouwen zijn veel seksueler dan ze ooit publiek zouden toegeven. We hebben allemaal seksuele fantasieën die we nooit aan iemand zouden durven vertellen. We zijn allemaal geil, we hebben allemaal onze rare verlangens. Alleen praten we daar niet over. Nooit, met niemand. Werkelijk niemand is eerlijk over zijn seksuele verlangens. Dit is ook geen pleidooi voor openheid en eerlijkheid. Iedereen heeft recht op zijn of haar “jardin secret”. Iedereen heeft ook nood aan zijn of haar “jardin secret”. We zijn allemaal beschaamd over onze geheime tuin. We fantaseren allemaal over dingen die we nooit zouden uitvoeren, die we stiekem ook walgelijk vinden. Alleen praten we daar niet over.
Het is duidelijk dat de tijdsgeest terug een stuk “preutser” is. Dat er conservatieve krachten zijn, die graag de klok zouden terugdraaien naar meer duidelijkheid, die vrouwen liever passiever zien. Die hun vrouwen willen beschermen. Die tegen abortus zijn, tegen anticonceptie, tegen baas in eigen buik. Die voor maagdelijkheid zijn, voor bedekte vrouwen. Die vinden dat seks enkel thuishoort binnen een huwelijk, en daar dan zelfs een recht wordt.
Geile, onafhankelijke, vrije vrouwen, die zélf kiezen hoe vaak en met wie ze vrijen, dat is iets nieuws. Iets lastigs. Nog steeds helemaal geen realiteit ook, voor heel veel vrouwen. En vrouwen die het wel kennen, voelen aan dat het nog niet verworven is, dat het nog wankel is, dat het hen terug kan afgenomen worden.
Daarom is #metoo ook gevaarlijk. Omdat het gerecupereerd kan worden door deze conservatieve krachten, die dan kunnen zeggen: blijf maar veilig binnen aan de haard, jij vrouw.
Toch is #metoo ook belangrijk. Omdat het duidelijk maakt dat er een zwarte zone is. En dat wij het niet meer zullen pikken als iemand ons aanrandt, ons verkracht. Als iemand toch verder gaat bij een duidelijk nee. Als iemand zijn of haar macht gebruikt om seks te verkrijgen, in ruil voor iets anders. Mannen én vrouwen, ja.
Maar #metoo is ook verwarrend. Omdat die grijze zone er ook is, en zal blijven. Omdat die bij de liefde, bij het verleiden, bij seks hoort. Omdat de grens overschrijden contextueel is. Voor iedereen anders, maar ook voor ieder op elk moment anders. Er zijn geen regels voor. We moeten blijven aftasten. Uitproberen. Teruggefloten worden. Afgewezen worden. Dat hoort erbij.
Wie nooit een grens overschrijdt, blijft maagdelijk wit. Maar dan gebeurt er ook niets opwindend.

(I CARRY YOUR HEART WITH ME)

i carry your heart with me(i carry it in
my heart)i am never without it(anywhere
i go you go,my dear;and whatever is done
by only me is your doing,my darling)
i fear
no fate(for you are my fate,my sweet)i want
no world(for beautiful you are my world,my true)
and it’s you are whatever a moon has always meant
and whatever a sun will always sing is you

here is the deepest secret nobody knows
(here is the root of the root and the bud of the bud
and the sky of the sky of a tree called life;which grows
higher than soul can hope or mind can hide)
and this is the wonder that’s keeping the stars apart

i carry your heart(i carry it in my heart)

-E.E. Cummings-

Mysteries, Yes

Truly, we live with mysteries too marvelous
to be understood.

How grass can be nourishing in the
mouths of the lambs.
How rivers and stones are forever
in allegiance with gravity
while we ourselves dream of rising.
How two hands touch and the bonds
will never be broken.
How people come, from delight or the
scars of damage,
to the comfort of a poem.

Let me keep my distance, always, from those
who think they have the answers.

Let me keep company always with those who say
“Look!” and laugh in astonishment,
and bow their heads.

– Mary Oliver –

Nu nog

I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?

II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.

III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ‘ Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.’

IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.

VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij ’s ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan ’t water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.

VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.

VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.

IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.

XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.

XII
Nu nog is haar hele lijfkarmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.

XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.

XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.

XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
‘Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.’
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.

XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.

XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.

XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: ‘Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.’

XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.

XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.

XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.

XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.

XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
‘Ik heb koorts,’ zei zij, ‘ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.’

XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.

XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.

XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik – hoor me kwaken! – en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.

XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.

XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.

XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’

– Hugo Claus –

ik heb/ben een lijf

Heb je een lijf of ben je een lijf? Wat zou jij antwoorden?
Ik zei tot voor kort steeds dat ik een lijf héb.
Ik zei dingen als: ‘mijn lijf wil niet mee. Ik wil wel, maar mijn lichaam laat me in de steek’.
Ik was boos op mijn lijf, omdat ik pijn had.
Ik vond dat ik dat niet verdiende. Ik vond dat niet eerlijk… (hallo, Calimero!)

Nu besef ik eindelijk terug (want als kind weten we dat allemaal) dat we een lijf zijn.
Ik ben mijn lichaam. Meer is er niet. Wij zijn ons brein, ja. Als we goed voor ons lijf en ons brein zorgen, kunnen we beter worden. Fysiek, maar ook mentaal.

Ik laat mezélf dus in de steek, als ik niet goed voor mijn lijf zorg.
Het lijkt subtiel, maar het is een wereld van verschil.

Ik heb begrepen dat ik enkel maar beter kan worden als ik voldoende beweeg, maar ook genoeg rust.
Als ik gezond eet, en niet te veel drink.
Mens sana in corpore sano. Zelfs de Romeinen wisten het allemaal al, 2000 jaar geleden.
Dus wandel ik. Doe ik aan yoga. Slaap ik.
Maar bovenal let ik op mijn gedachten:

‘Ik ben mijn lijf, in plaats van ik heb een lijf.
Ik ben zelf en als enige verantwoordelijk voor het bewaken van mijn energiepeil.
Ik luister naar mijn lichaam, want mijn cellen weten alles.

Als ik in gezelschap ben, probeer ik op mijn woorden te letten.
Als ik alleen ben, let ik op mijn gedachten.’